Voor de herstructurering en professionalisering van de longgeneeskundige opleiding en de implementatie van het Nieuwe Opleidingsplan 2017 zijn de werkzaamheden van Janine van Blinck Uit van grote waarde geweest. Met kennis van zaken, een oplettend oog voor de noden van betrokkenen en aandacht voor de heersende cultuur in het ziekenhuis als opleidingsinstituut heeft zij een aantal belangrijke verbeteringen gerealiseerd, die de bedrijfsvoering en de kwaliteit van de opleiding tot medisch specialist beslist ten goede komen.

Bedrijfsvoering
Waar we eerst weinig zicht hadden op de netto beschikbare tijd van arts-assistenten (in opleiding) en de voor het werk benodigde FTE’s (dientengevolge soms onaangename verrassingen in de personele bezetting) hebben we, ook op de langere termijn (circa 6 jaar), duidelijk inzicht in onze beschikbare formatie. Hierdoor zijn we in staat om, vroegtijdig en op grond van goed onderbouwde argumenten te bepalen of en hoeveel arts-assistenten we eventueel in dienst moeten nemen, zodat een effectieve en efficiënte bedrijfsvoering gewaarborgd is. Voor arts-assistenten die in opleiding zijn tot longarts betekent dit dat ze voornamelijk actief zijn binnen de stages die nodig zijn om longarts te worden. Dit komt de opleiding uiteraard zeer ten goede en zorgt voor een hoge tevredenheid onder de arts-assistenten in opleiding.

Implementatie opleidingsplan Longziekten en tuberculose 2017
Daarnaast heeft Janine een belangrijke rol gespeeld bij de implementatie van het Nieuwe Opleidingsplan Longgeneeskunde (NOP). Dit plan wordt onder meer gekenmerkt door de invoering van entrustable professional activities (EPA’s). Met deze EPA’s als uitgangspunt heeft Janine belangrijke veranderingen in de opleidingsstructuur en -cultuur gerealiseerd. Kern van de veranderingen was een juiste afstemming van begeleidingsbehoefte van de arts-assistenten en de supervisie door longartsen. In het kader van verantwoord en goed opleiden is dit essentieel. Iedere stage, ongeacht de fase van de opleiding doorlopen de arts-assistenten een aantal begeleidingsfases. De zelfstandigheid van longartsen in spe wordt hierdoor op gestandaardiseerde wijze verworven. Uitgangspunten:

  1. De arts-assistent is verantwoordelijk voor zijn/haar eigen opleidingstraject. Hij/zij biedt inzicht in de opleidingsactiviteiten gedurende een langere periode en vraagt actief om begeleiding en beoordeling (zowel kwalitatief als kwantitatief).
  2. Vanuit de organisatie wordt dit optimaal gefaciliteerd (zowel kwalitatief als kwantitatief). Supervisors worden op basis van expertise gekoppeld aan stages. De supervisiemomenten zijn afgestemd op de agenda van de opleiders en worden voor de totale stageperiode ingepland. In eerste instantie is de tijdsbesteding voor supervisors hoog, maar dit wordt aan het eind van de stage ruimschoots ingehaald.

Al met al is Janine, door haar sociale vaardigheid, ervaring en specifieke kennis van zaken van grote toegevoegde waarde geweest voor het tot stand komen van een goede opleidingsstructuur en een gezond opleidingsklimaat.

Jos Stigt
Longarts/opleider Isala